Als we bezig zijn de speelweide in het park te verlaten, zet Baba het op een lopen. Ik denk eerst dat hij op weg is naar struiken om zijn behoefte te doen, wat hij nog steeds niet aan de lijn wil doen, maar zie hem dan verder sprinten naar de weide aan de andere kant van het park.
Ah, ik snap het, daar is iemand met een hond aan het ballen.
Ik doe veel langer over die afstand dan hij maar kan hem ondertussen in de gaten houden. Tot ik langs de struiken naast de weide loop.
Als ik die voorbij ben… zie ik niemand op de weide. Hoe kan dat nou? Langs die struiken lopen duurt nog geen minuut. Ik fluit maar zie Baba nergens en de man met de hond ook niet meer.
Dan zie ik de man toch, hij is naast de kleine weide bezig een busje te sluiten. ‘Hondentrainer’ staat er met grote letters op dat busje. Hij zou toch niet…??
Ik begin te zwaaien en roepen om te voorkomen dat de man in het busje stapt. Blaas nog eens extra hard demonstratief op mijn fluitje. Het werkt: de man draait zich om en wacht af tot ik dichterbij ben.
“Heeft u mijn hond gezien?!” roep ik al op meters afstand.
Hij wijst naar de kant waar ik vandaan kom.
Dat kan onmogelijk, dan zou ik Baba gezien hebben. Ik word nu echt ongerust maar voel me ook heel vastbesloten.
Ik ben nu dicht bij de man en vraag nog eens of hij zeker weet welke kant mijn hond is uitgegaan. De man weet het zeker. Het gezicht van de man maakt me nog vaster besloten dit niet zomaar te laten gebeuren.
“Ik wil graag in dat busje kijken,” stel ik ferm.
Hij kijkt me even verbaasd aan maar opent dan met een glimlach de achterklep van het busje.
Ik zie twee kooien: in de linker ligt een Mechelse herder die me scherp aankijkt, in de rechter een zwarte herderachtige die me ontspannen opneemt. Dit is duidelijk de zwarte hond die met de bal aan het spelen was waardoor Baba getriggerd werd.
Mijn hersens draaien op volle toeren. Het busje is veel dieper dan die twee kooien. Ik kijk de man aan, vermoedelijk net zo scherp als de Mechelaar mij aankijkt.
Dan ontspan ik en maak mijn excuses.
“Dank je wel dat je me serieus neemt,” zeg ik. “Neem me niet kwalijk, maar je hoort zo vaak verhalen over honden die in busjes worden meegenomen.”
De man knikt. Sluit het busje en loopt langzaam naar de deur bij chauffeursstoel.
Ik kijk goed om me heen, blaas nog eens op mijn fluitje, maar geen spoor van Baba.
“Weet je zeker dat hij die kant is opgegaan?”
“Ja,” zegt de man en stapt in.
Ik maak aanstalten om weg te lopen, draai me om maar hoor nog geen startgeluid van de auto.
Ik ben nog steeds hevig ongerust, maar besef ook dat mijn excuses wel erg mager waren. Ik keer me weer richting de auto, de man start nu wel.
Ik ga bij zijn raam staan, hij draait het open.
“Nogmaals mijn excuses,” zeg ik.
“Ik werd extra wantrouwig omdat je zei dat mijn hond een kant opgegaan was, wat onmogelijk kon kloppen. En je hoort de gekste verhalen tegenwoordig over het stelen van honden, georganiseerde hondengevechten en dergelijke. Maar sorry dat ik je wantrouwde, ik wens je een mooie dag verder. Ik ga weer op zoek naar mijn Spaanse zwerver.“
De man kijkt me ontspannen aan, zegt verder niets, doet zijn raampje weer dicht en rijdt langzaam weg.
Ik loop het gras van de weide weer op. Fluit nog maar eens.
Waar oh waar is die hond nou toch heen gegaan?
Ineens komt hij uit de struiken naast de weide. Hij loopt zoals altijd op zijn dooie gemak, zich van geen kwaad bewust.
De hondentrainer had inderdaad niet goed gezien welke kant Baba was opgegaan. Ik had dus toch goed opgelet. Nou ja, wat de richting betreft dan.


