13. Herder?

Op de website van de Stichting Hondenzorg en Welzijn stond bij de foto van “Bébé” zoals ze hem in Spanje genoemd hadden, in de beschrijving o.a. dat het een ‘herdermix op korte poten’ betrof en dat de hond zeer geschikt zou zijn als eerste hond.
Beide beweringen heb ik na verloop van tijd moeten kenmerken als niet waar.
Waarmee ik niet wil beweren dat de mensen van de Stichting jokkebrokken zijn, ze hebben naar eer en geweten een zo goed mogelijke beschrijving van de hond proberen te maken. En als je Baba ziet zou je ook denken dat een herder is.
Dat vond onze dierenarts ook bij de eerste kennismaking met Baba. Maar ze zei er al snel bij dat een herder nooit geschikt is als eerste hond.
Ging het mede daardoor mis met mij en Hugo, de Duitse herder die mijn eerste hond was?
Ik denk dat het soort herderras uitmaakt en natuurlijk ook de aard van de hond zelf. Een alpha lijkt mij nooit geschikt als eerste hond, wat voor ras het ook betreft. En alpha’s heb je bij alle rassen, al zijn er rassen waarbij ze zelden voorkomen, zoals de meestal zeer meegaande labrador.
Ik heb de Duitse herder leren kennen als een hond die zeer baas gericht is en heel goed te trainen.
De Mechelse herder is wat heftiger en vooral sedert er bij een bepaald type mensen belangstelling voor is en deze hond vooral gefokt wordt op felle eigenschappen, om het maar eens voorzichtig te omschrijven.
Baba lijkt nog het meest op een Mechelse herder, al heeft zijn tekening meer weg van een Duitse. Vergeleken bij een Mechelse herder heeft hij inderdaad korte poten maar vergeleken met een Duitse heeft hij een doorsnee maat poten en is alleen zijn lijf wat ranker.
Maar het grootste verschil met een van die twee soorten herders is Baba’s karakter. Hij is buiten nauwelijks baas gericht en behoorlijk ‘zelfstandig’ met alle moeilijkheden van dien. Dat gedrag is voor iemand die net voor het eerst aan een hond begint lastig te hanteren en ook voor mij is het, zoals eerder gemeld, een behoorlijke uitdaging
Na het weglopen in Houdringe ben ik serieus bezig met de adviezen van de hondengedragstrainer op te volgen. Maar na een paar weken begint Baba ook aan het padvindersfluitje maling te hebben.
Als we eind van de zomer weer in Houdringe zijn en Baba weliswaar minder dan de eerste keer maar toch opnieuw veel ‘zelfstandigheid’ laat zien bij het grote veld, vindt een mevrouw die jachthonden heeft het nodig om me ongevraagd adviezen te geven.
Terwijl ik al blij ben dat hij toch vrij geregeld weer even langs komt rennen, met een blik naar mij die ongeveer zoiets zegt: “Ja ik heb je gehoord, ik weet dat je er bent, maar ik ben druk. Tot later”, vindt de mevrouw dat ik veel en veel strenger moet worden.
Ik heb geen zin haar te vertellen over hoe bang Baba wordt als ik alleen al mijn stem verhef.
“Ja het kan beter, maar het is een zwerfhond geweest he en hij is nog jong,” zeg ik.
De mevrouw begint een hele verhandeling over de hond trainen met een twintig meter lijn, doet zij ook zo met haar jachthonden. En hoe je de lijn als de hond goed luistert, ook los kunt laten.
Ik ken de methode, heb er diverse honden mee getraind zien worden en zeg dat na een paar minuten, maar de mevrouw is niet te stuiten.
Ik pak mijn fluitje in een poging zowel het gesprek te beëindigen als Baba weer dichterbij te laten komen. Mijn fluitje is niet goed, vindt de mevrouw. Ik moet een jachtfluitje hebben, die produceert veel hogere tonen, dat komt veel strenger over.
Als de vriendin waarmee we aan het wandelen zijn eindelijk klaar is met de eerste paddenstoelen van het jaar fotograferen.. -wat een grote staan er op het veld!- en mijn kant uitkomt, is dat voor Baba ook een signaal om weer dichterbij te komen en kan ik de mevrouw niet al te onbeleefd bedanken voor haar goede adviezen en vervolgen we onze wandeling. Baba loopt wel mee, maar komt niet te dichtbij. Als ik hem na enige moeite eindelijk kan aanlijnen besluit ik hem een poosje te begrenzen en moet hij zelfs aan de lijn blijven als de vriendin en ik op een bankje even uitrusten. Dat wordt meteen een training in negeren van honden die voorbij komen, minimaal zo dat hij rustig blijft zitten.
Thuisgekomen echoën de ongevraagde adviezen nog na. Die mevrouw heeft misschien een punt, maar een andere dan ze nadrukkelijk heeft geadviseerd. Ik krijg steeds meer de indruk dat Baba vooral qua uiterlijk een herder is, maar qua karakter meer een jachthond.
Ik vermoed dat hij nogal wat podencobloed in zich heeft. Ook diezelfde middag zijn we een vrouw met een roedel Spaanse honden tegengekomen met o.a. een middenslag podenco. Baba en die hond, ook een reu, hadden onmiddellijk een enorme klik.
Ik heb nooit een jachthond willen hebben omdat ik graag met mijn hond lange natuurwandelingen maak. Dat gaat niet handig met een jachthond.
Maar het herder uiterlijk van Baba heeft ook nadelen.
Voor ik Baba kreeg had ik me nooit gerealiseerd dat veel mensen bang zijn voor herders.
Met mijn eerste hond, Duitse herder Hugo, heb ik daar nooit iets van gemerkt. Maar dat waren andere tijden. De beslissing waar een hond los te laten lopen, werd toen nog volledig bij de hondeneigenaar gelaten.
Mensen wisten toen ook nog hoe met een loslopende hond om te gaan. Bijvoorbeeld: Wil je geen aandacht van een hond? Gewoon glad negeren, dan negeert een hond ook jou. Wil je een loslopende hond passeren? Doe dat dan niet hollend, vooral jonge honden denken dan dat je wilt spelen en sommige honden kunnen schrikken van dat hardhollend passeren of dat als bedreiging ervaren. Maar welke niet hondenkenner weet zulke dingen nou nog? Baas en hond worden tegenwoordig geacht uitgebreid te gaan trainen om te voorkomen dat een hond op joggers reageert, uit angst gaat blaffen en nog heel veel zaken meer. Niet op cursus gaan wordt al vreemd gevonden.
Het aantal mensen dat desondanks bang is voor honden groeit. Bange ouders krijgen bange kinderen en zo gaat het maar door.
Dat was me al bekend en naar mijn idee is die groei ontstaan sedert de aanlijn geboden opgeld maken. Maar dat herders zo’n slechte naam hadden gekregen, had ik me niet gerealiseerd.
Ik zie mensen met hondjes aan de lijn angstig worden als Baba er aan komt, kleine hondjes worden opgetild en een keer midden in de zomer breekt er zelfs paniek uit als ik Baba op een grote hondenspeelweide bij de Krommerijn losmaak. Een groep mensen met kleine hondjes begint al van verre te gillen, hondjes op te tillen en een hondje gaat er meteen vandoor.
Natuurlijk krijgen wij de schuld.
De eigenaar van het angstig gemaakte hondje passeert me hardhollend onderwijl schreeuwend: “Mijn dure hondje! Als hem wat overkomt mag jij dat betalen!”
Baba staat even net zo verbaasd te kijken als ik, maar een hond is een hond he, dus die denkt: Wat leuk: hardrennen! Joepie! Ik doe mee en ga er achteraan!
Nog meer paniek. Het groepje komt met hondjes op de arm mijn kant uit en is bezig het terrein te verlaten, allemaal boos en verwijtend naar mij kijkend.
Er komt een grote jonge meid op me af met een t-shirt met de tekst: ‘buurtconciërge’. Ik kende het begrip nog niet, maar vind het een leuke term. Maar de lol is er snel af.
“U moet uw hond aanlijnen! Honden mogen hier niet los!” zegt ze met autoritaire arrogantie.
Ik ben even perplex. En zeg dan luid en scherp:
“Dit is een hondenspeelweide!”
Ik weiger echt om Baba, die de vriendelijkheid zelve is naar kleine hondjes, aan de lijn te houden op speelweides. Tenzij hij zich zou misdragen natuurlijk, maar dat risico loop ik vooral bij loopse teefjes. Je zou kunnen discussiëren of mijn hond achter een angstige hond aan mag jagen of niet. Ik vind zelf dat ik dat moet zien te voorkomen. Maar dat Baba in deze extreem rare situatie zich niet makkelijk laat corrigeren begrijp ik volkomen.
Het is opvallend hoe vaak mensen in gebieden waar honden los lopen tegen mij zeggen dat de hond moet worden aangelijnd omdat dat zou moeten. Vooral mensen met kleine honden.
En mensen die bang zijn voor honden.
Uiteraard probeer ik met iedereen rekening te houden en ik train wat af met Baba. Maar ik moet inmiddels vooral lachen om mensen die hun eigen angst proberen te camoufleren door zich te beroepen op een gebod waarvan ze zelf ook wel weten dat het daar niet geldt. Eigenlijk vind ik het om te huilen hoe angstig mensen zijn en hoe snel ze zich van leugens bedienen, maar ik blijf graag in een goed humeur als ik met Baba wandel. Al was het maar omdat ik dan ook naar mijn hond toe het meest stabiel blijf en hij dan het beste luistert.

Ik kan me niet eens herinneren dat ik Huug, mijn eerste hond, wel eens aan de lijn had. Dat kon mede zo makkelijk omdat de eerste taak van een herder is gericht zijn op zijn baas. Wat dat betreft is Baba ook geen herder. Het moeilijk buiten onder appèl houden is ook niet des herders.
Als ik met Baba’s kop op gelijke hoogte ben en we elkaar recht in de ogen kijken, iets wat we o.a. trouw elke ochtend als ik net wakker ben tijdens onze knuffelpartij uitgebreid doen, zie ik ook geen herderkop. Zo hem recht aankijkend doet hij me eerder aan een paard dan aan een hond denken zelfs. Ik wil het net als bij een paard ook eigenlijk geen kop noemen Voor mij heeft Baba een hoofd. Een supermooi hoofd met een super lieve indringende blik.

De adviezen van de hondengedragstrainer voor het onder appèl houden van Baba hebben steeds minder effect. Daarentegen bedenk ik steeds meer trucjes die wel werken. Maar ik blijf steken bij de 90%.
Een groot probleem blijft dat hij, vooral op vreemd terrein, graag op verkenning uitgaat en daarbij veel te ver weg gaat. Ik begin steeds minder te geloven dat dit gedrag veroorzaakt wordt doordat hij een zwerfhond is geweest. Sterker nog, ik betwijfel inmiddels of Baba ooit wel echt gezworven heeft. Uitgesteld dringt tot me door dat hij heel lange nagels had toen ik hem kreeg. Dat duidt niet op zwerfgedrag.
Zijn fixatie met riemen als je hem daar even aan vast legt geeft iets anders aan. Ondanks dat ik een ketting van tweeënhalve meter gebruik als hij in de moestuin volgens de reglementen van de tuindersvereniging aan de lijn moet en een meter lange ketting als hij meegaat naar een restaurant en dergelijke, ben ik na driekwart jaar al met de zevende lijn bezig.
Ook Baba’s vaste oppas vermoedt wat ik al een poosje denk; dat Baba een kettinghond was die op een bepaald moment is ontsnapt en vrij snel bij een veilige plek is aangelopen, vermoedelijk dus die manege. Of misschien lag hij daar wel veel aan de ketting. Wie zal het zeggen?

Als Baba richting de anderhalf gaat en een steeds betere conditie krijgt, begint me op te vallen dat zijn interesse vooral uitgaat naar jachthonden.
Ik kom eindelijk op het idee om eens te gaan opzoeken wat de karaktereigenschappen van de podenco zijn. Dit ras komt in allerlei soorten en maten veel voor in Spanje.
Tot mijn verrassing scoort Baba van de tien belangrijkste eigenschappen die ik ergens lees, er maar liefst zes. Het op vreemd terrein ver weg gaan om het terrein te verkennen, hoort er ook bij.
Ik lees ook dat podenco’s ooit gefokt zijn om zelfstandig konijnen uit hun hol te kunnen halen.
Ik prijs me gelukkig dat Baba die neiging niet heeft.
Nooit gedacht dat ik het zo belangrijk zou vinden om te weten wat voor genen mijn hond heeft. Ik denk al een poosje over het laten uitvoeren van een dna test. Maar ongeveer 100 euro is niet niks met al die nieuwe lijnen enz.
Maar iemand weet me te vertellen dat een dna test weinig zin heeft. Althans nu nog. In de hondengenenbank zijn de genen van de podenco nog niet opgenomen.

Baba rent graag met Storm, een iets jongere Duitse staander en met diens grote vriendin Moos, net zo oud als Storm.
Ik begin Baba af en toe gekscherend een podenco in herder vermomming te noemen.
Op een dag lopen we in Bloeyendael en gedraagt Baba zich voorbeeldig. Hij is volledig onder appèl. Tot… hij belangstelling krijgt voor een molshoop. Ik laat hem even begaan om zijn gedrag te kunnen bestuderen. Hij begint het hol uit te graven. Maar mollen zitten diep. Dieper dan konijnen.
Op de terugweg zien we Storm en Moos rennen op de hondenspeelweide in het Wilhelminapark. De twee jonge jachthonden zitten samen op cursus.
Ik vertel hun baasjes dat ik zojuist de zevende karaktereigenschap van een podenco bij Baba heb ontdekt en me loop af te vragen of ik niet een jachthondencursus moet gaan volgen.
Als ik ’s avonds hun tips opvolg en op internet de informatie over jachthondentrainingen opzoek, zie ik echter dat apporteren een belangrijk onderdeel van de training is. Heel leuk, maar ik ben maanden terug niet zomaar met de baltraining gestopt. Toen we daar drie dagen mee bezig waren geweest en we al zover gevorderd waren dat Baba de bal op een klein metertje afstand bij me terug bracht, viel me de derde ochtend op dat hij aandacht vroeg voor zijn voorpoten. Hij lag op zijn rug naast me op bed en bewoog zijn voorpoten alsof hij met luchtballet bezig was. Ineens realiseerde ik me dat het al de derde ochtend was dat hij zo deed en dat was wel erg toevallig net zo vaak als we de dagen ervoor met de baltraining waren bezig geweest. Ik onderwierp zijn voorpoten aan een grondig onderzoek en ontdekte uiteindelijk een bult van een verwaarloosde breuk in zijn voorvoet.
Mijn ogen schoten vol. Wat had dit lieve dier toch allemaal mee gemaakt? Terwijl ik zachtjes over de bult streek, keek Baba me met zijn allerzachtste blik weer recht in de ogen.
Apart genoeg is het de linkervoorpoot. Het pootje met een witte sok die er voor mensen met minder goed zicht vanuit de verte uit schijnt te zien als een verband. Dagelijks kom ik wel iemand tegen die dichterbij gekomen zijnd ineens meldt: oh ik dacht dat hij een verbandje om zijn poot had, of woorden van gelijke strekking.
De meest compassievolle reacties ‘beloon’ ik met antwoorden dat hij daar apart genoeg wel een breuk heeft gehad.
De dierenarts vindt het ook verstandig dat ik gestopt ben met de baltraining en waarschuwt me dat de verwaarloosde breuk op een plek zit die zijn voorvoet artrose gevoelig kan maken.

Ik bel de gedragstrainer voor terugkoppeling van Baba’s gedrag en wat ik ontdekt heb over zijn Podenco achtig karakter en vraag of hij het een goed idee vindt als ik een jachthondentraining met Baba zou gaan doen, overigens zonder die verwaarloosde breuk te melden.
De trainer zegt dat ik ‘gewoon’ een gehoorzaamheidstraining kan gaan doen.
Ik meld me aan het eind van het gesprek aan voor zo’n training.
Dat wordt nog even wachten tot het nieuwe jaar begint.
En dan wordt het afzien, vroeg op, reizen, in de koudste maand van het jaar buiten op een sportveld gaan trainen.
Maar ik zie het al voor me: Trainen op komen als ik hem roep. Terwijl er ook andere honden zijn.

20190825_190301

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s